|
|
|
 |
Terug
|
|
|
Johanna
Reiss, foto Gaetano Catelli.
|
Ik
zit te schrijven in een plantsoen vlakbij waar ik woon,
in het hartje van Manhattan. Het park wordt beheerst door
een bronzen beeld van de in Friesland geboren laatste gouverneur
van Nieuw Amsterdam die Pieter Stuyvesant heette, maar Peg
Leg werd genoemd vanwege zijn kunstbeen. Met een afkeurende
blik kijkt hij naar het zuiden, richting Wall Street, de
straat die het symbool werd van geldzucht en de wereld crisis
die daarop volgde.
Vanaf mijn bankje kan ik ook de kerk zien waar daklozen
een wekelijkse warme lunch kunnen halen: aardappelpuree,
wat groenten, een stukje vlees. Het is dezelfde kerk waar
laatst de jaarlijkse
|
|
Zegening
van de Dieren was. Voor elf honden, vier vogels, een konijn
en een schildpad in een lege gebaksdoos.
Ik woonde vroeger, in Winterswijk, ook dichtbij een plantsoen.
Ik speelde er vaak, landverpachten, verstoppertje achter een
van de bomen. Het was afgelopen met de spelletjes in 1940, toen
de oorlog uitbrak. In tegenstelling tot veel andere Joden, boften
mijn zuster Sini en ik, we konden onderduiken, eerst bij de
familie Hannink, toen bij de Oostervelds, een boerenfamilie,
ook in Usselo. Ik schreef erover in mijn eerste boek, De schuilplaats,
The Upstairs Room zoals het hier heet. Als ik naar scholen ga
om erover te praten, vertel ik de leerlingen altijd: Johan,
Opoe en Dientje Oosterveld waren eenvoudige, je zou kunnen zeggen,
primitieve mensen, ze hadden geen binnen wc, geen stromend water,
amper geld. En geloof me, ze hadden niet een kast vol met de
laatste modesnufjes, je hebt die dingen niet nodig, voeg ik
er altijd aan toe, om goed te kunnen doen, om speciaal te kunnen
zijn.
Na de bevrijding ben ik zo vaak als ik kon naar Usselo gegaan,
ik bleef ook komen nadat ik naar Amerika verhuisde en dochtertjes
kreeg die ook meekwamen en in augustus 1969 toen ik me voorbereidde
om The Upstairs Room te schrijven kwam ik met Jim, mijn man
die in Amerika geboren was.
De laatste jaren kom ik geregeld naar Winterswijk, vorige zomer
nog, toen ik in Holland was om mijn nieuwe boek, Een verborgen
leven, Herinneringen aan augustus 1969, te promoten. Toen de
trein stopte, in Winterswijk Centraal nog wel (wie had ooit
kunnen denken dat er een tweede station in Winterswijk zou zijn),
en ik uit de trein stapte, en de straat op, begreep ik absoluut
niet waar ik was, er stond zo'n raar gebouw, vond ik, een kazerne
leek het wel; het bleek het nieuwe gemeentehuis te zijn. Ik
moest even langs mijn geboortehuis op Stationsstraat 3 lopen
en de Misterstraat in (zo heet die straat nog, hoop ik?) om
me ervan te verzekeren dat ik inderdaad in mijn geboorteplaats
was. Het bewijst, denk ik, dat je niet teveel tijd voorbij moet
laten gaan voordat je terugkeert naar je wieg, om het zomaar
eens te zeggen, of het ziet er allemaal onherkenbaar uit.
Ik weet dat toneelvereniging TOEP in februari het toneelstuk
gaat opvoeren gebaseerd op De schuilplaats.
Ik wens TOEP veel succes toe en wat fijn om de Hanninks en de
Oostervelds vanaf het toneel weer te kunnen zien.
Johanna Reiss
|
|